Isoleren is absoluut een volwaardig vak

“Minder energieverbruik leidt doorgaans tot minder CO2-uitstoot”, constateerde Dilan Yeşilgöz-Zegerius, demissionair staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, onlangs terecht in een brief aan de Tweede Kamer. Het klonk als muziek in de oren van Hylke Warners, die als directeur van het Opleidings- en Ontwikkelfonds voor de isolatiebranche (OOI) pleit voor meer aandacht voor het professioneel isoleren van installaties – waaronder die voor tankopslag. Adequate isolatie betekent immers dat minder energie nodig is.

Tekst: Mels Dees

OOI is het opleidings- en ontwikkelfonds voor de isolatiebranche, gevestigd in Woerden. Deze organisatie wordt gefinancierd door isolatiebedrijven. De werkgevers dragen een bedrag af voor elke medewerker in de sector werkzaam is. “Met dat geld proberen we het vakmanschap in de sector te bevorderen”, legt Warners uit. 

Geld laten liggen

De brief stelde OOI niet teleur, omdat er met name is verwezen naar de noodzaak van isolatiemaatregelen en inspectie op energiebesparing. “Wat van belang is, is dat zij – als ze het energiebesparingspotentieel beschouwt – uitgaat van een terugverdientijd van vijf jaar. Dat is, als je het over zakelijke investeringen hebt, een beperkte termijn.” De staatssecretaris, die ook verantwoordelijk is voor milieu- en verduurzamingszaken, kijkt ook naar de CO2-reductie, maar, zoals Warners stelt: “De besparingen die het juiste gebruik van isolatie mogelijk maken zijn op zichzelf al zeer overtuigend. Bedrijven laten simpelweg geld liggen als ze niet of onvoldoende isoleren.” Niet alleen qua energiekosten, maar ook omdat de prijs voor CO2-emissierechten inmiddels veel hoger is geworden.

Hylke Warners

Warners weet echter ook dat ondernemers hun geld maar één keer kunnen uitgeven. De staatssecretaris constateert immers terecht dat bedrijven niet altijd alle energiebesparende maatregelen uitvoeren – ook niet als de terugverdientijd korter is dan vijf jaar. “Dit geldt zowel voor het mkb als voor grotere bedrijven.” Hier zijn overigens meerdere redenen voor. Ten eerste betekent investeren in energiebesparende maatregelen dat dit geld niet ergens anders in geïnvesteerd kan worden. Daarbij speelt dat investeringen in het primaire bedrijfsproces, bijvoorbeeld de ontwikkeling van nieuwe producten, soms beter renderen dan investeringen in energie-efficiëntie. Daarnaast hanteren bedrijven vaak investeringscriteria die voorsorteren op kortetermijninvesteringen met een terugverdientijd van bijvoorbeeld minder dan drie jaar. 

Imagoprobleem

“Wat echter meespeelt”, stelt Warners, “is dat veel ondernemers onvoldoende vertrouwd zijn met de positieve effecten van adequate isolatie”. Dat is het moment dat OOI op het toneel verschijnt. “We verzorgen al jaren cursussen op dit gebied, maar trekken nu als fonds de activiteiten breder. We stellen ondernemers in staat hun personeel te scholen, zodat die zich blijven ontwikkelen, de nieuwste kennis opdoen en gezond hun pensioen halen.”

Met deze brede aanpak wil OOI ook inspelen op het feit dat de isolatiesector nog wel wat imagoproblemen heeft. “Daarnaast is er op dit moment geen mbo-opleiding die komende werknemers in de isolatiebranche schoolt.” Men leert het vak in de praktijk. Dat is overigens volgens Warners geen probleem. “Het is een echt praktijkvak dat je leert op de bouwplaats, maar de werkgever en de werknemer moeten wel in geld en tijd investeren in opleidingen en cursussen – en die bieden wij aan.” Zo verzorgt OOI een opleiding van 21 dagen, met eventueel een verdiepingstraject dat 10 dagen duurt en biedt ze ondersteuning aan bedrijven om medewerkers goed intern op te leiden. 

Geld besparen

Helaas wordt op isolatie in de praktijk snel bespaard, zoals bij opslagtanks die nooit veel mogen kosten aan onderhoud. “Er komen hier werknemers terug op herhalingscursus die aangeven dat ze omwille van tijd en kosten niet voor een optimale isolatie kunnen zorgen. En daarom ook niet kunnen werken op de manier die wij onderwijzen. Dat is kwalijk, juist omdat zorgvuldige en professionele isolatie een bedrijf op relatief korte termijn veel geld bespaart.”

Warners is, als directeur, samen met het OOI-bestuur zeer actief het beeld van de isolatieprofessional op de arbeidsmarkt positief te kleuren. “Ik hoop dat werkgevers en potentiële werknemers het vak echt als een ambacht gaan zien.” Technici die over voldoende kennis beschikken moeten dan, vindt OOI, de ruimte krijgen zich continu te ontwikkelen. “Neem dat wat ze doen serieus. Het verschil tussen doordacht opereren en afraffelen vind je nog jarenlang terug in je portemonnee.” De directeur geeft een voorbeeld uit de utiliteitsbouw. “Ik kom wel eens in een evenementenhal, en dan zie ik dat de leidingen keurig zijn geïsoleerd met een mantel. De klemmetjes om de leiding worden echter vaak niet geïsoleerd – dat scheelt een paar euro in totaal. Het effect is eigenlijk dat de hele isolatie niet of onvoldoende functioneert.”
En hierbij gaat het dan in zekere zin ‘slechts’ om warmteverlies. “Als een installatie ontploft doordat bezuinigd is op goed isoleren heeft een bedrijf niet alleen financieel, maar ook als het gaat om de reputatie, een groot probleem.”

Extra CO2-reductie in de industrie 

De industrie mag vanaf 2050 bijna geen schadelijke stoffen meer uitstoten. Het kabinet werkt aan maatregelen om de emissies, zoals de uitstoot van lachgas, naar beneden te brengen. Ook breidt het kabinet de plicht om energiebesparende maatregelen te nemen die binnen 5 jaar kunnen worden terugverdiend uit naar grote industriële (ETS-)bedrijven. Er worden middelen vrijgemaakt, zodat gemeenten en omgevingsdiensten de handhaving van deze plicht kunnen verbeteren.