
‘Strategische autonomie’ is hét begrip van dit moment. Prioriteit in alle beleidsnota’s en gerelateerd aan begrippen als ‘weerbaarheid’. We weten allemaal waarom het relevant werd en alleen maar meer relevant is geworden: coronacrisis en zorgen over leveringszekerheid, inval van Rusland in Oekraïne en energiebeschikbaarheid, de strapatsen die Trump uithaalt, recent in het Midden-Oosten. En natuurlijk China met zijn zeldzame aardmetalen en het wegvagen van grote delen van de Europese industrie door oneerlijke concurrentie en een voor China gunstige wisselkoers.
Tekst: Bart Kuipers
Het gecombineerde effect van al deze ontwikkelingen was mede van invloed op de teloorgang van de chemie in de Rotterdamse haven – we kennen het verhaal. De beeldspraak waarin het chemische cluster met een Jenga-spel wordt vergeleken is genoegzaam bekend: fabrieken zijn onderling via toeleveringsrelaties met elkaar verbonden. Als cruciale Jenga-blokjes verdwijnen – fabrieken die toeleveren en/of afnemen in het cluster – verzwakt het, om uiteindelijk in te storten. Het is wachten tot een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden en het cluster verdwijnt. In de Rotterdamse haven heerst pessimisme over de economische weerbaarheid van het chemiecluster. Bestaat het nog in 2050? Dit ondanks het feit dat door het kabinet weer eens een poging wordt ondernomen om ons land van het stikstofslot te krijgen, slechts één van vele pijnpunten.
Door strategische autonomie bestaat echter de kans dat een herindustrialisatie in ons land plaats gaat vinden. De planbureaus hebben vorig jaar een scenariostudie gepubliceerd met de titel ‘Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving 2025’ met scenario’s met hoge en lage groei en snelle en vertraagde energietransitie. In de lage scenario’s is wereldwijd sprake van sterke handelsbarrières waardoor het voor Europa kosteneffectief wordt om grondstof-intensieve industrie en maakindustrie weer binnen Europa en Nederland te realiseren. De modellenmakers gaan zelfs zo ver dat een deel van de basis- en overige industrie terugkomt naar Europa vanuit landen als China, India en de VS: ‘reshoring’ van de industrie. Hierdoor vinden hogere investeringen in nieuwe fabrieken, machines, apparaten en infrastructuur in ons land plaats. Dit heeft tot gevolg dat het aandeel van de hoogwaardige maakindustrie en basis- en overige industrie in de lage scenario’s in 2060 weer op het niveau van deze sectoren in 1995 ligt, toen de industrie veel belangrijker was als aandeel in onze economie. In de hoge groeiscenario’s groeit vooral de dienstverlening en blijft industrie achter.
In termen van productiewaarde blijft de chemie op een hoog niveau in ons land: 73-75 miljard euro voor 2050 in álle scenario’s; groei met een derde ten opzichte van de huidige productiewaarde – maar met aanzienlijk lagere werkgelegenheid door productiviteitsgroei. Komt dit door reshoring? Wordt de fabriek van Indorama die binnenkort naar Oman wordt verscheept weer teruggebracht? Denk het niet. De site van het nieuwe complex van BASF in China is al 400 hectare; terughalen? Hebben we die ruimte? Dan gaat het om een Vierde Maasvlakte… Ik denk dat de chemie in ons land het van innovatie en vergroening moet hebben zoals productie van duurzaam syngas, de toepassing van nieuwe procestechnologie gebaseerd op CO2 als bouwsteen, en nieuwe circulaire procestechnologie als solvolyse. Dat kan wel degelijk een basis voor hernieuwde groei van de sector zijn. Maar sleuren met chemische fabrieken? Nee.