nautisch jaar

De Noorse rederij Odfjell en scheepseigenaar NCC zijn door de rechtbank in Rotterdam in het ongelijk gesteld. Het draaide om de vraag wie voor de kosten moet opdraaien van de olielekkage in de haven van Rotterdam, eerder dit jaar.

De rechtbank in Rotterdam sprak afgelopen vrijdag het vonnis uit. Op 23 juni jl. sloeg de olietanker Bow Jubail door een stuurfout lek tegen een steiger, waarna 220 ton stookolie het water in stroomde. De kosten van het opruimen liepen volgens schattingen van het Havenbedrijf Rotterdam op richting de tachtig miljoen euro.

Odfjell en NCC

Odfjell en NCC wilden op basis van het Bunkerverdrag niet meer vergoeden dan zeventien miljoen euro. De rechter wees dit beroep op beperking van de aansprakelijkheid echter van de hand. Zij vond dat beide niet voldoende kunnen aantonen dat het Bunkerverdrag op deze specifieke olielekkage van toepassing zou zijn. ‘De overlegde stukken bieden geen voldoende compleet en duidelijk beeld’, aldus de rechter in het gepubliceerde vonnis. Zij argumenteerde dat er mogelijk resten van een andere olielading in het ruim hadden kunnen zitten. Daarom is volgens de rechter niet het Bunkerverdrag, maar een ander verdrag – het CLC-verdrag – op het incident van toepassing. Odfjell en NCC kunnen hun aansprakelijkheid hiermee ook beperken, maar minder dan met het Bunkerverdrag.

Bestuderen

Het lijkt nog niet duidelijk hoeveel van de schade door Odfjell en NCC gaat worden vergoed. Zowel het Havenbedrijf Rotterdam als Odfjell zeggen de uitspraak van de rechter te bestuderen, en doen hier in de openbaarheid geen verdere uitspraken over.

Zie ook: OVV start onderzoek naar Bow Jubail