We leven in een verandering van tijdperk. Een zeldzame periode waarin de samenleving en economie ingrijpend en onomkeerbaar veranderen. Zo’n kantelperiode wordt gekenmerkt door chaos en onzekerheid. Er ontstaan spanningen en conflicten tussen degenen die mee willen veranderen en diegenen die het oude in stand willen houden.

Rotterdam, 26-11-2007EURDRIFTJan Rotmans

Door Jan Rotmans

Er is sprake van een drievoudige kanteling. Allereerst kantelt de samenleving van een centraal aangestuurde, top-down maatschappij naar een decentrale, bottom-up samenleving. De oude orde bestaat uit brancheorganisaties, belangenbehartigingsclubs, vakbonden en politieke partijen. De nieuwe bestaat uit ondernemende burgers, zzp-ers, sociale en economische entrepreneurs. Zij organiseren zich op heel andere wijze, in gemeenschappen, coöperaties en sociale en fysieke netwerken.

Wat drijft de nieuwe orde? Deels is dat verzet tegen de koude, kille en weinig menselijke efficiencysamenleving die wij met z’n allen hebben gecreëerd. Deels is het teleurstelling in de bureaucratische overheid en de wens om te laten zien hoe het wél kan. En deels is het een zoektocht naar een alternatief voor staat en markt die niet meer worden vertrouwd.

Mensen zijn op zoek naar nieuwe waarden: menselijke waarden als vertrouwen, tijd, kwaliteit, vrijheid, ruimte. Waarden die steeds meer botsen met die van de efficiencysamenleving: rendement, efficiency, effectiviteit, controle, en kosten en baten. Deze waarden hebben ons ver gebracht en zijn lange tijd de afrekenwaarden geweest van maatschappelijke stelsels als zorg, welzijn, onderwijs en financiën. Maar inmiddels zijn deze stelsels verstard en zijn ze onderdeel van het probleem geworden.

Tegelijkertijd verandert ook de structuur van de economie. De nieuwe economie is mondiaal, maar opereert op een kleiner schaalniveau en wordt gedreven door disruptieve technologische doorbraken, zoals cloud-technologie, big data, robotisering en de 3D-printer. Disruptief betekent dat deze innovaties niet alleen de productiewijze veranderen, maar de hele productieketen, inclusief distributie en opslag. Unieke productie op lokale schaal wordt weer mogelijk en vormt een enorme uitdaging voor de maakindustrie.

In de nieuwe economie zullen producten en diensten niet langer centraal, maar juist decentraal worden ontwikkeld en geleverd. Op financieel gebied bijvoorbeeld in de vorm van ‘peer-to-peer’-leningen en -betalingen. Ook in onderwijs, onderzoek, energie, voedselvoorziening en zorg wordt dienstverlening op maat mogelijk.

In deze decentrale economie stromen informatie, kennis en muziek net zo rijk over het internet als aandelen en digitaal geld. Er zijn inmiddels tal van voorbeelden van nieuwe, directe diensten die opereren zonder tussenkomst van een grote organisatie of een groot bedrijf. Bovendien is de nieuwe economie slimmer, schoner en minder verspillend.

De politiek worstelt met deze transities en beroept zich erop dat zij bezig is met hervormingen: van de arbeidsmarkt, woningmarkt, energiemarkt, zorg en onderwijs. Binnen de bestaande kaders wordt gezocht naar verbeteringen, maar wel met dezelfde spelers en binnen dezelfde verhoudingen.

Wat moet de overheid dan wél doen? Het belangrijkste is dat zij onder ogen ziet dat zij niet langer de centrale regie heeft, maar vooral een faciliterende rol moet spelen. Zij moet richting geven en tegelijkertijd ruimte bieden. Er is grote behoefte aan een ambitieuze stip op de horizon, aan het stellen van duidelijke kaders en het werken volgens heldere spelregels. Tegelijkertijd moet zij financiële ruimte bieden in de vorm van fiscale voordelen en juridische ruimte bieden door regelluwe zones te creëren en juridische barrières op te ruimen die verandering in de weg staan.

De Nederlandse economie is niet ‘transitie-proof’ zoals de WRR al aantoonde in haar rapport ‘Naar een lerende economie’. De nieuwe economie vraagt om investeren in sociale innovatie: in mensen en leerprocessen. In radicale innovatie, waardoor we dingen niet steeds efficiënter en slimmer doen, maar wezenlijk anders. Dat vraagt om een modern industriebeleid, waarin niet alleen wordt geïnvesteerd in sterke economische topsectoren, maar juist in beloftevolle niches van de nieuwe economie. Waarbij ook hybride samenwerkingen van belang zijn. Zoals de Green Chemistry Campus in Bergen op Zoom, een samenwerking tussen Sabic en entrepreneurs die samen bioproducten maken.

Elke grote transitie leidt in eerste instantie tot meer sociale ongelijkheid. Nieuwe vormen van solidariteit zijn daarom nodig om deze dreigende ongelijkheid het hoofd te bieden. Eén van de meest effectieve maatregelen die de overheid kan nemen, is het structureel verlagen van de belasting op menselijke arbeid. Hierdoor wordt die arbeid goedkoper in vergelijking met digitale arbeid.

Een laatste speerpunt is de hervorming van het onderwijs. Dit moet gericht worden op levenslang leren en op competentieontwikkeling. Zodat mensen met machines en robots mee kunnen evolueren. Er kan dan een nieuw soort ondernemerschap ontstaan, waarbij het delen van kennis centraal staat, en niet het beschermen van kennis. Hervorming van het onderwijs is daarmee de basis waarop de grote transitie van de samenleving rust.