De welvaartstaat, zoals wij die de afgelopen tientallen jaren hebben gekend, komt steeds mee onder druk te staan. De welvaart, die stap voor stap in een periode van zo’n honderd jaar werd verhoogd en gespreid, althans in de geïndustrialiseerde wereld, dreigt nu als gevolg van nationalistisch gedrag van wat Nobelprijswinnaar Paul Krugman noemt de ‘arrogante Europese politieke elite en obstructie van het bankiersgilde ontmanteld te worden. Zelf zullen ze er geen last van hebben, maar gewone burgers zonder financiële reserves draaien op voor hun falen.

 

Rond 1850 begon in verschillende landen het besef door te dringen dat het overgrote deel van de bevolking op een mensonwaardige manier moest leven en werken. Wetenschappers en schrijvers stelden de ongezonde leefomstandigheden publiekelijk aan de kaak. Arbeiders kwamen steeds meer in opstand tegen hun gevaarlijke en ongezonde arbeidsomstandigheden. De arbeid die zij onder erbarmelijke toestanden verrichtten, leverde bovendien veel meer geld op dan ze er zelf als loon voor kregen. De eigenaren van de fabrieken waar ze werkten, werden schatrijk van het geld dat ze de arbeiders onthielden. De eerste uitgave van het Communistisch Manifest van econoom Karl Marx (1848) eindigde met een oproep aan arbeiders in alle landen zich te verenigen tegen deze uitbuiting. Ze vormden vakverenigingen per beroepsgroep, in Nederland nu vorm gegeven door de bonden van FNV en CNV. Zelfs liberale politici zetten zich in voor hervormingen, die een einde moesten maken aan de uitbuiting van fabrieks- en landarbeiders en de erbarmelijke leefomstandigheden van miljoenen burgers in de krottenwijken van de grote steden en in de plaggenhutten op het platte land.

 

Uiteindelijk werd het recht om te delen in de welvaart voor iedereen -in de geïndustrialiseerde wereld!- min of meer erkend en kreeg dit gestalte in wat genoemd werd de verzorgingsstaat. Een verkeerde benaming, omdat het te veel doet denken aan de charitasstaat, die -met respect- door de gegoede burgerij van met name katholieke en gereformeerde huize was gecreëerd. Het recht op welvaart vertaald in liefdadigheid. Mijlpalen in de groei van onze welvaartstaat waren de wetten die recht gaven op toegang tot (volks)gezondheidszorg, (volks)huisvesting, openbaar onderwijs en tot een (volks)uitkering, de AOW, op 65-jarige leeftijd. Uitkeringen voor werknemers bij ziekte en werkloosheid vormden ook onderdeel van dat stelsel van sociale zekerheden. De volksverzekering die een deel van de hoge kosten vergoedt in geval van zware geneeskundige en andere bijzondere zorg (AWBZ) was bij de introductie in 1967 een voorbeeld van het succes van de Nederlandse welvaartstaat. Ook mensen met een ongeneeslijke ziekte of levenslange, veelal aangeboren handicap, werden als mens behandeld en kregen een deel van de kosten, die ze gedwongen zijn te maken, vergoed.

 

In 1991 realiseerde ik me voor de eerste keer dat de afbouw van de welvaartstaat werkelijk in gang was gezet. Ik ontmoette toen in Australië een delegatie uit Nieuw Zeeland. Zij brachten het opmerkelijke bericht dat in hun land net een wet was aangenomen die vakbonden verbood om collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’en) af te sluiten, met de nadruk op collectieve. Dat recht is sinds 1927 in de Nederlandse wetgeving verankerd als onderdeel van een internationale opbouw van de welvaartstaat. Sinds 1991 zijn er steeds meer onderdelen ook van onze welvaartstaat afgebouwd. Nu zijn we blijkbaar toe aan de afbraak van ons pensioen, één van de eerste en meest fundamentele onderdelen van onze westerse welvaartstaat. Onderhoud daarvan om een goed functioneren te blijven garanderen, is uiteraard nodig. Dat de ingangsleeftijd voor een deel van de bevolking omhoog gaat, is logisch, mits dat niet geldt voor beroepen die mensen voor hun 65e al hebben versleten. Maar het verschuiven van aandeelhouders- en ondernemersrisico’s naar werknemers door hun opgespaarde pensioenen nóg meer afhankelijk te maken van de schommelingen van de waarde van aandelen, zou een volgende stap in de afbraak van de welvaartstaat zijn. We zien nu al, nog vóór dat onzalige plan is ingevoerd, dat de zelf opgespaarde pensioenen van werknemers door het gedrag van politici en bankiers aangetast worden.

 

Wereldwijd leidt het falen van de bestuurlijke elite tot de zogenaamde ‘occupy’ demonstraties. Logisch en terecht. Maar met alleen braaf protesteren tegen van alles wat maar mis is, bereiken de demonstranten niets. Zonder over te gaan op een goed georganiseerd en doelgericht verzet tegen de oorzaak van hun onvrede, zoals de te ver doorgeschoten en dikwijls mislukte marktwerking, zal er niets veranderen. Dan zal de occupy-beweging een voorbij lopende hype blijken te zijn geweest.