In mei 2007 werd het Rotterdam Climate Initiative (RCI) opgericht, een grootstedelijk klimaatprogramma met de meest ambitieuze klimaatdoelstellingen ter wereld: Vijftig procent CO2-reductie in 2025 ten opzichte van 1990 en honderd procent klimaatbestendig in 2025. Dit alles in combinatie met een versterking van de Rotterdamse economie.

Door Jan Rotmans

Het RCI heeft Rotterdam veel goeds gebracht. Tal van klimaatinitiatieven werden uit de grond gestampt, nieuwe netwerken ontstonden waarbij veel bedrijven aanhaakten en er werd geïnvesteerd in energiezuinige gebouwen, groene daken, windenergie, waterpleinen, elektrisch vervoer en… CO2-opslag. En dat alles gedaan door een klein programmabureau, dat verantwoording aflegt aan een onafhankelijke Board, destijds voorgezeten door Ruud Lubbers.

In het najaar 2007 werd besloten om twee nieuwe kolencentrales te bouwen in Rotterdam op de Maasvlakte. Dat stond haaks op de doelstellingen van het RCI, want gezamenlijk zouden de twee kolencentrales jaarlijks zo’n negenenhalf miljoen ton CO2 uitstoten, equivalent met drieënhalf miljoen auto’s. De oplossing werd gezocht in het ondergronds opslaan van CO2 wat destijds nog een veelbelovende techniek leek.

Onderzoeksinstituut DRIFT van de Erasmus Universiteit Rotterdam monitorde het RCI-programma van jaar tot jaar en waarschuwde in 2009 reeds voor het grote risico dat het RCI nam. De vijftig procent CO2-reductiedoelstelling werd een molensteen om de nek van Rotterdam: Tweederde van die reductie moest worden gehaald door CO2-opslag. Dat betekende dat, mocht het om wat voor reden niet lukken om CO2 onder de grond op te slaan, de bodem zou wegvallen onder de vijftig procent CO2-reductie. Sterker nog, dan zou de uitstoot niet met vijftig procent afnemen, maar met veertig procent toenemen.

Het DRIFT-rapport gaf aan dat elke vorm van risicostrategie ontbrak. Op geen enkele wijze werd rekening gehouden met het niet doorgaan van CO2-opslag, terwijl er miljardeninvesteringen in het geding waren. De rapportage viel niet in goede aarde en de Board van RCI verzocht uitdrukkelijk om het rapport niet uit te brengen en sloeg de waarschuwingen welbewust in de wind.

We zijn nu vijf jaar verder en CO2-opslag lijkt in Rotterdam inmiddels onhaalbaar. Er komt geen subsidie (driehonderd miljoen euro is nodig) en de energiebedrijven EON en GDF-Suez hebben aangegeven niet meer in CO2-opslag te geloven, zelfs niet met subsidie. De gemeente kan juridisch geen kant op, omdat destijds geen bindende afspraken zijn gemaakt met de energiebedrijven over CO2-opslag. Niet alleen in Rotterdam, overal ter wereld komt men hierop terug, vanwege technische problemen, financiële problemen (te duur) en maatschappelijke weerstand. Het worst-case scenario dreigt nu realiteit te worden.

De werkelijkheid is echter nog zwarter: zelfs als de CO2-opslag zou doorgaan dan zit Rotterdam opgescheept met twee overbodige kolencentrales die duizenden mensen ziek maken, onder andere door honderdduizenden kilogram fijnstof per jaar; en nog steeds met een grootschalig petrochemie- en energiecomplex in de Botlek, waarin niet de voorkant van het productieproces wordt vergroend (via bioraffinage), maar slechts aan de achterkant (CO2-opslag). Dat betekent dat, zelfs als de vijftig procent CO2-reductiedoelstelling gehaald wordt, en die kans is vrijwel nul, dat de volgende vijftig procent reductie onhaalbaar is. Men heeft namelijk niet ingezet op systeemvernieuwing maar op systeemoptimalisatie, dat wil zeggen de productieprocessen steeds efficiënter gemaakt in plaats van wezenlijk anders.

Rotterdam zit dus klem de komende jaren. Stad en haven zitten in een CO2 lock-in. Alleen radicale innovatie richting bio-economie en bio-raffinage bieden hier soelaas, alleen kost zo’n transitie tijd, zeker tien à vijftien jaar. Hoe langer we daarmee wachten, hoe groter het CO2-probleem van Rotterdam en de haven wordt.