Ik ben lid van Rotary Oosterbeek, een groep die elkaar wekelijks treft in Hotel de Bilderberg. Het ‘Leitmotiv’ is dit jaar duurzaamheid en dat is niet helemaal toevallig. Ik doel daarbij niet op het Duitse woord ‘Leitmotiv’; onze programmacommissaris is Lisa Böll, nichtje van Nobelprijswinnaar Heinrich Böll. Nee, ik doel op duurzaamheid als gedragen onderwerp voor een veranderende samenleving. We presenteren en discussiëren over duurzame energie, duurzaam ondernemen, duurzaamheid in de kunst en vele andere gerelateerde onderwerpen. Het zijn vaak boeiende avonden.

Een interessant onderdeel van Rotary is GSE, Group Study Exchange. Eenmaal per twee jaar komt een groep van vijf à zeven jonge mensen voor ruim een maand naar onze streek en vertrekt een regionale groep naar elders. Een team uit Uruguay, district 4980, kwam afgelopen periode naar Nederland en ons team vertrok voor een maand naar de Filippijnen. Het zijn jonge mensen die veelal net zijn afgestudeerd en die interesse hebben om hun blik te verbreden. We steken er veel tijd en moeite in om ze rond te leiden en iets in hun bagage mee te geven. Ik geloof in kennisoverdracht als de belangrijkste potentie voor een duurzamere wereld.

De groep uit Uruguay bleek vooral geïnteresseerd in Amsterdam, met name in AJAX, Suarez en de wallen. Maar het werd als introductie de Rotterdamse haven, de waterkeringen en een lekker poffertjesrestaurant. Je moet je land toch ook een beetje verkopen, nietwaar? Ze zeiden dat ze het mooi vonden. Een programma van vijf weken is uiteraard veel meer dan wat ‘sightseeing’ en het zal niet verbazen dat duurzaamheid van de samenleving een belangrijk onderdeel van het bezoek vormde. Daarbij kreeg de glastuinbouw veel aandacht, want die branche is na de Rotterdamse haven de tweede economie van ons land. En met vier miljard kubieke meter aardgas per jaar een grootverbruiker van fossiele energie.

De zon schenkt jaarlijks drie maal de hoeveelheid benodigde energie voor onze kasproducten. In een proefkas in Huissen, genaamd ‘de Kas als Energiebron’, is gedemonstreerd dat jaarrond met zonne-energie de kas kan worden verwarmd. De kas is geheel gesloten en de overdaad aan warmte in de zomer wordt ondergronds afgevoerd en opgeslagen voor gebruik in de winter. Omdat de ramen niet opengaan, kan de atmosfeer kunstmatig worden ingesteld waarbij de relatieve vochtigheid en het CO2 gehalte worden geoptimaliseerd. Daardoor ontstaat er een nieuwe ‘setpoint’ waarop de tuinder kan telen met circa vijftien procent hogere opbrengst. Het GSE exchange team stond met open mond te kijken.

De kas in Huissen heeft inmiddels als proefproject drie jaar met succes gedraaid. Toch blijft er één punt van aandacht en dat is de energiekwaliteit. De ingevangen laagwaardige warmte moet worden verpompt van de kas naar de opslagplaats en terug. Daarvoor is hoogwaardige energie nodig, een reden waarom het systeem geen honderd procent reductie van aardgasgebruik geeft maar ‘slechts’ tachtig procent. De glastuinbouwers en de WUR hebben daarom in Bleiswijk een Informatie & Demonstratie Centrum (IDC) ingericht met nog drie proefkassen. Daar wordt het systeem geoptimaliseerd of wordt hoogwaardiger warmte ingevangen voor speciale teelten. Maar het meest geboeid ben ik toch door het ontwerp van de elektrische kas omdat daarmee zowel de teelt van gewassen als de productie van elektriciteit kan worden gecombineerd. En dit staaltje van Hollands pikeurwerk wou ik graag aan de GSE-studenten uit Uruguay laten zien.

De kas staat in Wageningen op het terrein van de WUR en ziet er niet indrukwekkend uit. Maar het is een slim ontwerp met halfdoorlatend glas waardoor het groeilicht (PAR-licht) naar binnen kan vallen voor de planten en andere golflengtes worden gereflecteerd en geconcentreerd op een langgerekte zonnecel. Die produceert elektriciteit, maar moet tevens worden gekoeld, waarbij het hete water wordt gebruikt voor allerlei toepassingen in de kas. Ik vind het een pareltje van Hollands denkwerk en voelde me trots om het aan het GSE-team te kunnen tonen. En met tienduizend hectare glasdek geeft het perspectief voor de toekomst.

Nadat we in het ‘restaurant van de toekomst’ hadden geluncht, liepen we gebogen door de koude wind onder een grauwgrijze lucht naar de testlocatie. Op het moment dat het object in zicht kwam en ik me omdraaide om met mijn inleiding te beginnen, werden we verrast door een striemende hagelbui. In korte tijd lag de grond onder ons bezaaid met kleine witte pareltjes. De verrukking van het GSE-team was groot en de reactie voor mij onbegrijpelijk. Onder luid gekwetter werd de hagel opgepakt en bestudeerd terwijl in onbegrijpelijk Spaans werd gegesticuleerd en gediscussieerd. Mijn uitgestoken arm naar het duurzame pareltje wapperde doelloos rond en vroeg vergeefs de aandacht.