“De maatschappij is in ontwikkeling: bedrijfstakken expanderen, andere krimpen in, sommige zijn tot verdwijnen gedoemd. Als we de futurologen mogen geloven, is deze ontwikkeling nog maar in haar beginfase. Als het juist is dat er thans een technische versnelling in onze maatschappij optreedt, dan moeten we verwachten dat het switchen van mensen van de ene bedrijfstak naar de andere, van het ene beroep naar het andere, in versterkte mate zal voorkomen. Deze ontwikkeling vormt de achtergrond van ons denken over een vakbondsstructuur waarmee wij ons richten op de toekomst. Wij dienen ons af te vragen of, tegen die achtergrond gezien, de huidige bedrijfstak-organisatievorm kan worden gehandhaafd”. Aldus NVV-voorzitter André Kloos in 1968.

 

Het was zeker niet de eerste keer dat de structuur van het NVV ter discussie stond. Het zou ook niet de laatste keer zijn. Ooit kende het NVV een beroepsgewijze manier van organiseren van werknemers. Vakbonden dus met de nadruk op ‘vak’. In 1956 verving het NVV die structuur door een bedrijfstaksgewijze opbouw met als bekend voorbeeld de metaalarbeidersbond. Dat was een product van een fusie tussen verschillende verwante vakbonden. Ook in het vervoer concentreerden de werknemers zich in één bond, de Nederlandse Bond voor Vervoerspersoneel, later Vervoersbond NVV. Alleen de zeevarenden bleven daarbuiten. De toenmalige bond van administratief personeel Mercurius stond in 1956 veel van haar leden af aan de nieuwe bedrijfstakbonden. Maar de positie van deze groep werknemers bleef door de jaren heen onderwerp van discussies. De hergroeperingen die binnen het NVV plaatsvonden, waren telkens nodig om op maatschappelijke veranderingen te kunnen reageren, zoals blijkt uit het citaat waarmee deze column begint. Telkens als de maatschappelijke ontwikkeling er toe leidde dat de kracht en macht van de vakbeweging afnam, zocht men naar structuren waarmee men dat hoopte te compenseren. Die maatschappelijke veranderingen betroffen niet alleen veranderingen in het bedrijfsleven, de toename van de mondigheid van vakbondsleden vormde ook een bron van inspiratie. Bonden moesten democratischer worden en de bestuurders controleerbaar voor de leden. In 1966 startte een studie, die er toe leidde dat de achterban van de NVV-bonden meer invloed kreeg op het beleid van het NVV. De gekozen constructie leidde inderdaad tot een grotere betrokkenheid van de kaderleden van de verschillende bonden. De verschillen tussen de bonden kwamen op die manier echter nadrukkelijk in de openbaarheid, waardoor ze verhardden en overeenstemming lastig werd.

 

De opdracht aan de commissie onder leiding van André Kloos luidde daarom dat er een efficiënte structuur moest komen, zelfs als die tot volledige integratie van vakcentrale en vakbonden zou moeten leiden. Van een verdere integratie van bonden in grote bedrijfstakbonden was geen winst meer te verwachten. Kloos wilde geen grauwe eenvormigheid, maar juist een organisatie waarin meer rekening kon worden gehouden met de categorale behoeftes van sommige groepen werknemers. Zijn rapport leidde al snel tot bezwaren, vooral van de Ambtenarenbond Abva, die zelfs dreigde het NVV te verlaten. Groot voorstander was Mercurius, later Dienstenbond NVV, weer iets later Dienstenbond FNV en nog later onderdeel van FNV Bondgenoten. Eén van de twee aanjagers van de huidige discussie over de structuur van de FNV, Han Noten, komt voort uit de Dienstenbond FNV. Enkele bonden, zoals de Algemene Bedrijfsgroepen Centrale (fabrieksarbeiders), gaven de voorkeur aan de vorming van grotere bonden. Later ging de bond op in de Industriebond NVV. Het werd een discussie tussen wat genoemd werd centralisten en federalisten. Omdat de federalistische minderheid te groot was (veertig procent) sneuvelde het plan van André Kloos. Het was het laatste echte grote plan om binnen een vakcentrale tot een eenheid te komen.

 

Door fusies van NVV en NKV en van bedrijfstakbonden binnen de verschillende vakcentrales is de macht van de grote bonden zoals FNV Bondgenoten (Industriebond + Vervoersbond + Dienstenbond + Voedingsbond) toegenomen en de macht en daarmee het gezag van de vakcentrales afgenomen. Dat is een internationale trend. FNV Bondgenoten is geen bedrijfstakbond, maar eigenlijk een soort vakcentrale binnen de FNV, in een richting zoals Kloos dat bedoelde. Of de nieuwste plannen, die een negatieve aanleiding hebben, namelijk een voorshands onoplosbaar conflict over de pensioenen -dat even buitenspel gezet is- wel succes zal hebben, is nu nog niet te voorspellen. Misschien is het beter dat FNV Bouw ook tot FNV Bondgenoten toetreedt. Die kan dan verder groeien naar de door Kloos bedoelde ongedeelde vakcentrale, waar de kleinere FNV-bonden zich uiteindelijk ook bij kunnen aansluiten.