Dit voorjaar heb ik op deze plaats al de grote kansen voor de haven aangestipt die er met de troonswisseling zijn gerezen. Koning Willem-Alexander heeft van jongs af aan al affiniteit gehad met watermanagement (inclusief havens, denk ik daar voor het gemak dan maar achteraan). En die is in de loop der jaren alleen maar gegroeid. Benieuwd dus of iets van die belangstelling meteen al terug te vinden zou zijn in zijn eerste Troonrede.

Door Jaap Luikenaar

Het woordje ‘haven’ bij de opening van het parlementaire jaar uit de mond van Hare Majesteit horen. Dat was jarenlang een heel concreet – en dus SMART – doel, toen ik als ‘Haagse lobbyist’ bij het Havenbedrijf Rotterdam werkte. Niet voor het eerst overigens, want in mijn baan daarvoor, als communicatieadviseur bij het Nederlands Bureau van Toerisme, hadden we een soortgelijk doel: (politieke) aandacht voor de situatie in de toeristische sector, door het woordje ‘toerisme’ de troonrede-tekst in te ‘fietsen’. Ooit is dat gelukt, en ook het woord ‘haven’ heeft de Troonrede gehaald. Evenals havengerelateerde begrippen als Betuweroute en Tweede Maasvlakte. Met de term ‘haven’ lukte dat zelfs meerdere malen. (En dat niet alleen als onderdeel van het werkwoord ‘handhaven’, dat zou een te gemakkelijk lobbydoel zijn geweest).

Of het woord ‘haven’ ook dit jaar op Derde Dinsdag in de koninklijke tekst voorkomt, waag ik te betwijfelen. (De deadline voor deze column was eind augustus, toen de Troonrede nog in de steigers stond). U weet het inmiddels.

Bezuinigingen op infrastructuur ziet het kabinet als een middel om de crisis te bezweren en om die verdraaide Europese drieprocentsnorm toch maar te halen. Het klinkt logisch: door de crisis wordt minder gebruik van infra gemaakt (trucks, treinen, schepen). Consumenten houden de hand op de knip. Zetten minder om. En dus ook minder aanvoer in de haven. Eén procent overslagdaling in het eerste half jaar, moesten we onlangs tot ons grote verdriet constateren.

Maar als je mij vraagt: ‘bezuinigen op (haven)infra?’, zal ik altijd ‘nee’ antwoorden, ‘nee’ schreeuwen. Havens zijn al decennia lang een pilaar onder de nationale economie. We staan – hoe klein ook – in de Top 10 van import- en exportlanden. Die notering moet je koesteren. Ik onderschrijf wat onderzoeker Kees Verweij onlangs uit de doeken deed in het Logistiek Magazine. Zeehavens zorgen bij elkaar voor vier procent van de toegevoegde waarde en twee procent van de werkgelegenheid in ons land. Tel daar de indirecte effecten bij op en het economisch belang van de gezamenlijke havens wordt zelfs verdubbeld. Daaraan ‘knabbelen’ is gevaarlijk. Daar komt bij dat zeehavenbedrijven een (vrij) hoge arbeidsproductiviteit hebben.

Bezuinigen juist door extra te investeren in havens lijkt een betere optie om de economie weer op gang te brengen. Neem een voorbeeld aan het Havenbedrijf dat het afgelopen jaar zelfs meer investeerde in de haven (ruim zeshonderd miljoen euro) dan het er aan verdiende. Dat is pas langere termijn durven denken.

Ik moest denken aan het aloude gezegde: Rotterdam verdient het, Den Haag beheert het en Amsterdam verteert het. Of, zoals nachtburgemeester Jules Deelder dat 010-onderdeel vertaalde: ‘Amsterdam smijt het over de balk’. Tja, 375 miljoen neertellen voor de restauratie van het Rijksmuseum of voor hetzelfde bedrag alvast een flink stuk Blankenburgtunnel aanleggen? Waar worden we rijker van? En wat is rijk?

Afijn, de Troonrede is uitgesproken, het parlementaire jaar is geopend. De behandelingen van de afzonderlijke begrotingen van de departementen staan dit najaar te gebeuren. Ook die van Infrastructuur en Milieu. Terecht dus dat de haven juist ook in crisistijd zijn wensenlijstje nog eens onder de deur van de werkkamers van de ‘havenwoordvoerders’ op het Binnenhof schuift.