Onderhandelingen over een groot aantal nieuwe cao-en gaan beginnen of zijn al begonnen. Volgens de traditie beginnen de werkgevers dan te roepen dat de vakbeweging zich moet matigen. Je kon er op wachten. De nullijn, slechte economische vooruitzichten, de crisis, bedrijven die op omvallen zouden staan, ze halen alles uit de kast om de vakbeweging in het hok te krijgen waarboven het bordje ‘makke schapen’ prijkt. Ze verzuimen te vertellen dat met name de grote ondernemingen en banken samen met geestverwante politici zelf verantwoordelijk zijn voor al dat slechts. Zij zitten aan de knoppen, zij besturen het land en de bedrijven, zij hebben de financiële, de economische, de banken- en de eurocrises veroorzaakt. Niet de vakbeweging en de werknemers. Die worden straks ook nog het slachtoffer van de sociale crisis, die als gevolg van die andere crises onvermijdelijk is.

 

Het circus van onderhandelingen gaat traditioneel van start met discussies tussen de landelijke organisaties van werkgevers en werknemers, met zo nu en dan wat bijdragen van Ministers met onder andere als doel: beïnvloeding van de publieke opinie en met name de werknemers. Die moeten in dat hok met makke schapen! Dit jaar valt er op landelijk niveau niets te regelen. De vakcentrales zijn zo verzwakt want intern verdeeld, dat de aangesloten bonden geen enkel belang hebben bij een akkoord tussen VNO-NCW+MHP en FNV+CNV+MHP. Integendeel, van zo’n akkoord zouden ze alleen maar last hebben. Dus zullen de ondernemers en vakbonden het in de bedrijfstakken en bedrijven zelf moeten doen. Ook daar beginnen de onderhandelingen met traditionele vaste rituelen: werkgevers die de bonden waarschuwen om toch vooral te matigen. Er is altijd wel een rapportje over te hoge lonen ergens te vinden waar de werkgevers naar kunnen verwijzen. En bonden die benadrukken hoe noodzakelijk en rechtvaardig het is om de loon- en arbeidsvoorwaarden te verbeteren. Dat voorspel is bedoeld om onderhandelaars een imago te geven van deskundigheid en verantwoordelijkheid: ‘Wij kennen de problemen en we gaan er verantwoordelijk mee om’. Zo’n imago hebben sommige onderhandelaars nodig tegenover de wederpartij, de politiek, de media en de bevolking. Bij de echte onderhandelingen staat bij alle partijen voorop het realiseren van de belangrijkste doelen. De rest is wisselgeld. In de vele cao-onderhandelingen die ik zelf heb gevoerd, ging het uiteindelijk om de winstgevendheid van de bedrijven. Al die rapporten van deskundigen speelden dan geen rol meer.

 

In de jaren zeventig van de vorige eeuw werkte de vakbeweging mee aan het matigen van de loonkosten. De bonden hielden zich aan een ‘gecoördineerd arbeidsvoorwaarden beleid’ dat grenzen stelde aan de wensenlijstjes die aan het begin van cao-onderhandelingen konden worden ingeleverd bij de werkgevers. Van vrije onderhandelingen was dus geen sprake en juist dat gekneveld onderhandelen veroorzaakte steeds meer weerstand bij werknemers. Uitspraken van havenondernemers dat het zo goed ging in de haven, hielpen goed bij het groeien van de oppositie tegen matiging. Samen met ongerustheid over de toekomstige werkgelegenheid als gevolg van technologische veranderingen en nog wat pijn over wat er binnen de bond gebeurde of juist niet gebeurde, leverde dat een klimaat op waarin wilde stakingen in de stukgoed sector en bij de havensleepboten in 1979 eigenlijk onvermijdelijk waren. De weerstand tegen van bovenaf opgelegde matiging leverde uiteindelijk meer ruimte op voor de bonden om met voorstellen te komen die tot hogere loonkosten zouden leiden dan het normale arbeidsvoorwaardenbeleid toeliet. Mits aantoonbaar was dat sprake was van winsten die dat mogelijk maakten. En passant leverde die opstand van 1979 in de haven in 1981 ook een personele en organisatorische vernieuwing op bij de Vervoersbonden, die tot meer transparantie en invloed van (kader)leden leidde.

 

In 1982 sloten de werkgevers- en werknemersorganisaties het ‘Akkoord van Wassenaar’. De bedoeling ervan was om de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse bedrijven te verbeteren. Formeel heette dat akkoord (van slechts één pagina!): ‘Centrale aanbevelingen inzake aspecten van een werkgelegenheidsbeleid’  en het liet de bonden en werkgevers expliciet de vrijheid (!) om op cao-niveau onderhandelingsruimte te gebruiken voor het in standhouden en verbeteren van de werkgelegenheid. Nog steeds geldt het Akkoord van Wassenaar als een uiting en bevestiging van de overlegcultuur in Nederland. In de Rotterdamse haven leidde dat tot weliswaar zeer pittige maar uiteindelijk succesvolle onderhandelingen -soms verlevendigd met acties en stakingen- die inderdaad gingen over het gebruik van loonruimte voor werkgelegenheid. Zonder die vrijheid maar gebonden aan een nullijn waren die akkoorden over de werkgelegenheid in de haven nooit tot stand gekomen.