In mijn praktijk valt op dat bij calamiteiten de overheid tracht de vergunning van bedrijven aan de nieuwste eisen aan te passen.

Aan een vergunning voor een inrichting worden voorschriften verbonden die uitgaan van de best beschikbare technieken (BBT).  Bij ministeriële regeling (Mor) zijn documenten aangewezen waarin informatie met betrekking tot de bepaling van deze BBT is opgenomen. Het Mor verwijst onder andere naar de IPPC richtlijn, thans RIE (Richtlijn Industriële Emissies), en ook naar de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) en de PGS normen (Publicatiereeks gevaarlijke stoffen).

Deze eisen wijzigingen steeds. Kan nu het bevoegd gezag ineens de vergunning aanpassen, als vergeten is de nieuwste eisen op te nemen of wanneer die eisen veranderen?

Getracht wordt vaak een bedrijf aan te zetten om een nieuwe aanvraag om vergunning in te dienen, zodat alsdan de nieuwste eisen kunnen worden opgelegd. Echter, het aanvragen van een nieuwe vergunning kan slechts in het geval binnen de inrichting iets is gewijzigd of indien het bestaande vergunningenbestand onoverzichtelijk is geworden. Voor het opleggen van nieuwe eisen is deze route dus vaak niet geschikt (al trappen bedrijven daar wel vaak in).

Het actualiseren van de vergunning dient in feite door de overheid plaats te vinden, bij voorkeur in overleg met het bedrijf. Tot voor kort diende rekening gehouden te worden met de oorspronkelijke aanvraag. Met ingang van 1 januari jl. is echter via de implementatie van de RIE in Nederland, artikel 2.30 Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) gewijzigd; de overheid kan ook een vergunning aanpassen als daarmee de grondslag van de oorspronkelijke aanvraag wordt verlaten. Hoe dit instrument gaat uitpakken, zal moeten worden bezien. Tevens wordt een nieuw artikel toegevoegd dat bij het verschijnen van nieuwe BBT-conclusies, de vergunning daaraan moet worden getoetst en binnen vier jaar moet zijn aangepast, indien nodig.

Als het bedrijf met de actualisatie akkoord gaat, is er uiteraard niets aan de hand. Zo niet, dan is de vraag of de actualisatie stand houdt. De jurisprudentie laat zien dat het aanpassen aan nieuwe eisen niet altijd kan worden afgedwongen. Zo heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 25 april 2012 overwogen dat in beginsel de kosteneffectiviteit van een BBT-maatregel in bestaande situaties nog wel mag worden heroverwogen (bij uitzondering), ondanks het feit dat de kosteneffectiviteit in feite al bij het vaststellen van de BBT is meegenomen[1].

Ook kun je in bepaalde gevallen gelijkwaardigheid bereiken met andere  middelen. Of de richtlijn bevat zelf een passage dat bestaande gevallen anders moeten worden behandeld dan nieuwe  (zie bijvoorbeeld paragraaf 1.1 PGS 15).

Kortom, richtlijnen zijn dwingend van aard en dat zal met de implementatie van de RIE versterkt worden. Echter de praktijk wijst uit dat in individuele gevallen afwijking of uitstel mogelijk is van de nieuwste eisen, vooral in bestaande situaties.

 

 


[1] Met dank aan de noot van H.P. Nijhoff bij de uitspraak van de ABRS van 25 april 2012 (200902437/1/A4) in StAB 3/2012